Oxidimetrie gaat over 'redox-titraties'. Een redox-titratie is een titratie met elektronen. Er zit in de buret een oxidator (neemt elektronen op) of een reductor (staat elektronen af). In principe zijn er veel mogelijkheden om redoxtitraties uit te voeren. Maar in de praktijk valt het mee. Als je in de buret een sterke oxidator nodig hebt dan is KMnO4 (kaliumpermanganaat) een goede keuze. Heb je een sterke reductor nodig dan gebruik je meestal Na2S2O3  (natriumthiosulfaat). Zijn er speciale eisen dan dan zijn er andere reagentia: K2Cr2O7 (kaliumdichromaat) als oxidator, Ce(SO4)2 (ceriumsulfaat) als oxidator, FeSO4 (ijzer(II)sulfaat aangezuurd) als reductor enzovoorts.
We hebben natuurlijk de mogelijkheid om het titratie-eindpunt op het oog te vinden, maar redoxtitraties worden vaak met potentiometrische meting uitgevoerd.  Titreer je met kaliumpermanganaat (of een andere oxidator) dan stijgt de spanning, titreer met met een reductor dan daalt de spanning. Het eindpunt ligt daar waar de verandering het grootst is.
Zie afbeeldingen:   
 
 
 
 
Chemische berekeningen bij titraties blijven lastig. Zeker als een titratie indirect verloopt en dan ook nog een terugtitratie is....
Daarom hieronder de uitwerking van opgave 14:
Op de plaats van het vraagteken moet dus staan: 1,2608 - 0,8315 = 0,4293 mmol I2. Dit heeft gereageerd met het methanal. Reactieverhouding  I2 : CH2O = 1 : 1
Hoeveel mmol methanal zit dus in de 25,00 mL? Dus hoeveel mmol in de kolf van 500? Dus hoeveel mg in de inweeg? Dus hoeveel % methanal bevat de formaline?
 
En verder....

Kruiswoord 18 en de test hoofdstuk 18. Deze test is niet zo moeilijk als rekenopgaven 10 t/ 14.